zaterdag 10 januari 2026

Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen

Soms google ik mezelf. Niet uit ijdelheid, maar juist omdat ik liever niet te googelen ben, hoe tegenstrijdig dit ook klinkt, omdat schrijvers liefst gelezen worden, ook zondagsschrijvers als ik. Maar, zoals ik laatst al even aankaartte, ik heb soms cliënten die niet altijd even goed de werk-Jet en de privé-Jet uit elkaar kunnen houden, of eigenlijk: niet wíllen houden. Ze verzamelen op obsessieve wijze munitie, slaan die op in hun bovenkamer, en spelen die uit wanneer nodig. Geen leuke mensen, nee, en het zorgt ervoor dat ik me niet langer frank en vrij voel om te schrijven wat ik wil.

Maar wat wil nou het geval, elke keer als ik mezelf google, verschijnt er een foto van een meisje met precies dezelfde naam als ik. Maar dit meisje is dood. Al heel lang. Ze werd op 15 november 1908 geboren in Tilburg en stierf op 29 augustus 1931, ze werd slechts 22 jaren oud. Ze wilde graag goed doen in de luttele jaren die haar gegeven werden, lees ik op haar bidprentje, ze gaf zichzelf aan anderen in opofferende liefde totdat haar krachten haar verlieten. Ze had een vlekkeloze en blijmoedige ziel, zeggen haar ouders en de broers en zusters die achterbleven. Het is een mooie eulogie en ik geloof het direct, op het fotootje zie ik een lief en sereen gezichtje.

Vorige week zocht ik op marktplaats naar een oude kaptafel, eentje uit de jaren 30 of 40, liefst nog eerder. Het is een speld in een hooiberg, ja, en alleen nog verkrijgbaar in Frankrijk, maar dat is zo lastig ophalen en verzenden doen ze niet. Om de rommel uit China te ontlopen zocht ik op vintage en dit stuurde mij naar allerhande rariteiten, waaronder, u raadt het al, het bewuste bidprentje. Het werd aangeboden door ene Jet uit 's Hertogenbosch. Ineens wist ik dat dit geen toeval mocht zijn, ik moest dit bidprentje hebben, het had zo moeten zijn, het was het lot (en niet mijn algoritme), wellicht was ik haar reïncarnatie, wellicht was ik de herkansing van deze te vroeg overleden Jetty, maar dan zonder voornoemde kwaliteiten.


De koop was snel gesloten. Brabantse Jet stuurde het prentje naar bovenmoerdijkse Jet  en nu staat het op mijn bureau en weet ik niet goed wat ik ermee moet aanvangen.

"God roept mij, Hij weet het best wat ons tot heil verstrekt; met de H. Teresia hoop ik van uit den hemel rozen te werpen in uw rozengaard", zegt mijn naamgenoot. "Dierbare broers en zusjes, vaartwel, omringt vader en moeder steeds met de liefde van een kind. Bidt voor mij."
 

maandag 5 januari 2026

Een hachelijke onderneming

We gingen naar een concertuitvoering van de opera Andrea Chenier, M en ik. Een hachelijke onderneming, naar later bleek, en niet alleen omdat de tenor (wij noemden hem Knorretje) met elke uithaal op onze lachspieren werkte, maar omdat er vrij plotseling een ouderwetse winter was komen opzetten, zo eentje uit mijn jeugdjaren.

's Middags viel het allemaal nog mee, er lag al wel een pak sneeuw, maar die was lekker rul en stroef, het ijzelde nog niet. Toch besloot ik voor de zekerheid maar met het OV te gaan en niet zoals ik normaal gesproken doe, met de auto naar het station en vandaaruit met de trein naar Utrecht of Amsterdam. Maar toen we na 4 aktes drama en dood eindelijk weer buiten stonden, bleken de weergoden ons minder gunstig gezind. We glibberden voorzichtig door de besneeuwde straten van Utrecht en door een nat Hoog Catherijne naar het spoor, de trein stond al klaar. In een donker Amersfoort zagen we dat bus 80 (de mijne) en de 8 (de hare) over respectievelijk 3 en 12 minuten gingen, dus het viel allemaal reuze mee. Dachten we. Want nog geen minuut later liep een spoorwegbeambte langs alle haltes met de mededeling dat er geen enkele bus meer reed, ze waren allemaal naar binnen geroepen (ik vroeg me direkt af hoe een bus naar binnen kan). Het was te gevaarlijk, zei ze.

Bij de taxistandplaats reed de laatste taxi net weg. M belde taxi B, waarmee ze door haar liederlijke verleden op zeer vertrouwelijke voet staat. "Ik kom eraan", riep hij jolig. Maar hij kwam niet. En de sneeuwbui werd een sneeuwstorm en mijn handen ijsklompjes, want mijn handschoenen waren heel elegant dus volkomen nutteloos. Er kwam een jonge vrouw aan. Ze moest naar Nijenstede, zei ze. "Je mag wel met ons mee", riepen wij (want zo zijn wij), "dat ligt op onze route". "Maar ik heb geen contant geld", zei ze. "Hoeft niet", riepen wij weer met inmiddels bibberende kaak en versteende neus. "We gooien je er halverwege wel uit" (want zo zijn wij.). Een tweede jongedame voegde zich bij ons. Ze kwam uit Zweden en wilde naar een hotel. Ze begreep er niets van dat de bussen niet meer reden, zo'n beetje sneeuw, dan zou er in Zweden nooit een bus rijden, zei ze. Intussen was er nog steeds geen taxi te zien en de meeste wachtenden hadden in arren moede maar besloten te gaan lopen, maar dat zag ik, gezien de afstand naar het verafgelegen dorpje L, echt niet zitten. "Nu is het vervelend, maar later wordt dit een heel romantisch verhaal", zei ik tegen mijn dochter, gelukkig had ik mijn wax-jas van Britse makelij aan. Ze lachte en nam een foto, voor later, als het romantisch was geworden.

Er reed een taxi voor, een busje. Niet van de heer B, maar van de heer H. We keken elkaar aan. Gingen we wachten op B? En als hij nou ergens vastzat? We stapten in. Samen met de Zweedse, mevrouw Nijenstede was inmiddels opgehaald door een vriend. We waren koud op weg of B belde. "Waar ben je nou?", vroeg hij. Maar de heer H manoeuvreerde ons met gevaar voor eigen leven door de dichtgesneeuwde provinciestad. Het was chaos. Auto's slipten weg, remmen was een gok, maar H vertelde dat hij in zijn thuisland bij de commando's had gezeten dus dat het helemaal goed ging komen, ook zonder winterbanden.

De eerste stop was bij mijn dochter. "Stuur me een tikkie", riep ze nog en struikelde het busje uit. Daarna toerden we door naar het hotel van de Zweedse, dat lag op een uitgestorven industrieterrein. De teller stond inmiddels op 35 euro. "Kan ik met een bankoverschrijving betalen", vroeg ze, "want ik heb geen cash." H lachte haar vriendelijk toe. "Kan met pinbetaling, net als in Zweden", zei hij, en ging akkoord met de 20 euro (geen fooi) die zij wel redelijk vond maar ik totaal niet.

Op de snelweg was het iets beter gesteld met de bandengrip. Met zo'n 50 km per uur reden we de laatste kilometers naar mijn huis, terwijl de teller mijn kerstbonus wegtikte. Intussen was H druk bezig om mij als zijn volgende echtgenote in te lijven. "Jij ook alleen?", vroeg hij. Hij vond het maar niks, zo'n leven zonder vrouw. Man moest vrouw en andersom ook. "Neem een kat", riep ik enthousiast. "Maar daar kan je niet mee knuffelen", riep hij olijk en keek me vanuit zijn ooghoeken zwoel aan. Ik zei maar niets. Als een man, welke dan ook, het woord knuffelen gebruikt als hij intieme relaties bedoelt, dan slaat voor mij de deur naar een gezamenlijke toekomst met een harde klap dicht, ex-commando of niet. Toen we eindelijk voor mijn deur stilhielden, en ik hem mijn laatste Rutte-vijftigje (wel fooi) had gegeven, rijkte hij me zijn kaartje aan. "Voor volgende keer taxi nodig", zei hij. Ineens kreeg ik een flashback. Deze man had mij eerder thuis afgezet, toen ik met dezelfde M terugkwam van een vakantie in Mallorca. En ook toen had hij me willen huwen! "Ik heb eerder bij je in de bus gezeten", riep ik, toen ik weer veilige sneeuw onder mijn voeten voelde. Hij keek me glazig aan, dat kon hij zich niet meer herinneren, zei hij. 

Binnen wachtte de kat op me. Hij was blij me te zien.

donderdag 1 januari 2026

Oudjaar en dingen die voorbij gaan

Als ik aan de laatste uren van mijn moeder denk, aan haar sterven, dan denk ik ook aan de jas die ik aanhad. Het was een nieuwe, camelkleurige mantel, heel chic, maar veel te lang. Ik voel nog de zoom tegen mijn enkels tikken terwijl ik over het grijze linoleum van de ziekenhuisgangen naar haar kamer liep. Ik zou 'm later die week inkorten, maar toen ik haar kamer binnenkwam was ze al gestorven. Het zijn van die ongewilde associaties waar je de rest van je leven mee kampt. Zoals ik bij het pannenkoeken bakken altijd denk aan mijn ex-schoonzus die me liet zien hoe je ze mooi dun kreeg.

Ze werd 2 dagen voor oudejaarsnacht opgenomen na wat een redelijk onschuldige tia leek. Op de laatste dag van het jaar bracht ik een zelfgebakken cake mee. Voor jou en de verpleegsters, zei ik. Ze zat toen nog rechtop. Op nieuwjaarsdag sliep ik zonder zorgen eerst mijn kater uit, de volgende dag nam ik mijn man en mijn zoontje van 2 mee naar het bezoekuur. De lange jas deed klapperdeklap, de hakken van mijn pumps tikten ritmisch op de gladde vloer. De cakevorm was leeg. De zusters vonden 'm heel lekker, zei ze, maar zij zelf had er niet van gegeten. Toen wist ik ergens al dat dit niet goed ging komen. Een week later zat ze niet meer overeind. Spreken ging moeilijk. Nog een week later schreef ze de woorden op papier, schots en scheef, zonder focus, in het handschrift van een 80-jarige. Maar ze is pas 67, zeiden mijn vader en ik tegen de neuroloog. Hij sprak woorden van goede moed en hoop houden, maar zei ook dat ze het niet wisten en dan weet je het zelf meestal wel. Na nog een paar dagen lag ze apart. Zodat ze geen last had van de andere patiënten, zei de verpleegster. Zodat ze dood kan gaan, dacht ik. Mijn vader, mijn jongste broer en ik waakten bij toerbeurt aan haar bed. Op dinsdag 24 januari om half 5 ging ik naar huis om de oppas af te lossen. Om 5 uur zou mijn vader komen. Om kwart voor 5 stierf ze.

Het is een koude, vrijwel geheel bewolkte dag op dinsdag 24 januari 1995, met een gemiddelde temperatuur van 6.3 graden celcius, zegt het weerbericht van toen.
 Ondanks de zege van Mitterand is zijn overwinning niet zeker, schrijft het AD. De slag tegen Bin Laden komt dichterbij, kopt het Eindhovens Dagblad. Niets over mijn moeder. Niets over de dood van mijn moeder.

Ik ben nu één jaar jonger dan zij ooit geworden is en dat maakt mijn aanwezigheid op aarde momenteel erg beladen. Ga ik het halen of zal ik ook jong doodgaan? De vlakke, troosteloze januaridagen versterken het gevoel van eindigheid, van verval en versterving.

Was ze gelukkig? Het is een vraag die ik mezelf steeds vaker stel, nu ik oud ben.

Voor me ligt een stapel brieven die ze aan mijn vader schreef toen hij als soldaat op herhaling moest. Hij was maar een paar weken weg, maar mijn moeder schreef hem smachtende en, voor zover haar calvinistische opvoeding dat toeliet, soms vurige brieven.

Ik zie haar op foto's uit die tijd. Ze zit geknield op het jonge gras van onze achtertuin in Geuzenveld. Een kokerrok omspant haar volle dijen, diezelfde dijen die mijn vaders aandacht trokken toen hij als pianist schnabbelde bij een amateur balletklasje in Amsterdam zuid. Mag ik je naar huis brengen, had hij gevraagd. Op de foto sta ik naast haar, op evenzo mollige beentjes, ze laat me drinken uit een tuitbekertje, terwijl ze lacht naar de fotograaf. In de verte de eerste huizen van de wijk Osdorp in aanbouw. Als ik mijn ogen sluit hoor ik het heien van de palen in de zanderige grond.

Wat het leven haar heeft gebracht is niet wat ze ervan verwachtte. Zoveel weet ik. Zoveel maak ik op uit haar brieven aan de man die ze haar hele verdere leven heeft liefgehad. Het is een leven dat veel mensen, vrouwen, zullen herkennen. De slaafse liefde, de blinde liefde, de ontkennende liefde, de vergevende liefde, de teleurstellende en de pijnlijke liefde. En uiteindelijk de berustende liefde. Zo is ze gestorven, wil ik denken. In vrede met haar huwelijk en met zichzelf.

dinsdag 30 december 2025

Alles buiten de cirkel is toeval

Zo sterk als ik mentaal ben, zo kwetsbaar is mijn fysieke gestel. "Je wordt toch niet ineens zo'n broos mokkel, hè", zei mijn jongste toen ik haar dinsdag vanuit de spoedeisende hulp appte dat ik weer eens niet te prikken was voor het infuus. Er waren drie verpleegkundigen voor nodig en twee blauwe armen om het slangetje erin te krijgen. En dat allemaal voor een scan van een paar minuten. 

Verkouden ben ik zelden, griep heb ik nooit. We kloppen het maar even af, maar het is zo. Maar als er iets raars te verdelen valt, sta ik vooraan. Een atypische hartritmestoornis? Doe maar. Een alvleesklier die geen enzymen meer aanmaakt? Oh, dat klinkt lekker gek, ik ben van de partij. Een loensend oog, een plots doof oor, een carcinoom op mijn rug, afbrokkelend kraakbeen in mijn knieën, een gescheurde spier na een val over mijn beddesprei? Ik ben game! En letterlijk alles wat er bij mij wordt uitgevoerd, medisch gezien, gaat op de een of andere manier mis. Zo heb ik na mijn carpaal tunnel operatie rechts geen polsslag meer, die is verdwenen, weg, tot grote verbazing van allerhande dokters die niks voelen. Bij elke operatieve ingreep krijg ik een nabloeding of een infectie. Zelfs een simpele amandeloperatie mondde bij mij uit in 5 dagen ziekenhuis. Bij dochter nummer 1 hechtte mijn verloskundige de zaak van binnen abusievelijk met niet-oplosbare hechtingen, je wil niet weten wat er in het jaar erna gebeurde. Echt, je wil het niet. 

Ook qua planning ben ik niet sterk. Het liefst word ik ziek in het weekend of 's nachts. En zo kwam het dat ik dit keer daags voor Kerstmis belandde op de spoedeisende hulp. Voor de 2e keer dit jaar. En voor dezelfde kwaal, diverticulitis (Link naar eerdere blog). En weer moest ik door het scan-apparaat. Want hoe zit dat met diverticulitis: het kan ineens fout gaan en dan is het ook meteen levensbedreigend, iets met abcessen en de IC. Ik zei niets tegen mijn kinderen. De jongste dochter zat al dagen panisch te blokken voor een tentamen, de oudste was aan het werk en mijn zoon heeft de dag en de nacht omgewisseld. En wie zegt dat gedeelde smart halve smart is? Ik weet dat ze onmiddellijk bij me komen zitten, maar dan moet ik me naast beroerd ook nog eens schuldig voelen omdat hun krakkemikkige moeder voor de zoveelste keer hun tijd opeist? Nee, zo was het beter. Je wordt alleen geboren, je gaat alleen dood en daar tussenin ben je ook alleen ziek. 

Ik meldde me aan, kreeg een barcode om mijn pols en nam plaats in wachtkamer 1. Ik was de enige, dus dat was goed nieuws. Na een kwartiertje kwam er een verpleegkundige binnen. Ze keek zoekend rond. "U bent zeker niet Jetty van Jan?", vroeg ze. "Jazeker wel", zei ik, vrolijker dan ik me voelde. Ik stond op. "Hoezo, zie ik er niet uit als een Jetty van Jan?", vroeg ik haar. Want nu wilde ik er toch het fijne van weten. "Ik had een ouder uitziend iemand verwacht", zei ze. Ik vergat het ziekenhuisprotocol en legde verguld tot op het bot even mijn hand op haar schouder. "Zo hoor ik het graag", zei ik blij. Daarna stal ze 4 buizen bloed van me en bespraken we 'en passant' de middeleeuwse procedure van het aderlaten, altijd een geliefd onderwerp in een ziekenhuis. Na een treffen met 2 broeders voor de anamnese, de bloeddruk en de temperatuur mocht ik naar wachtkamer 2. Alwaar ik een zwaar rochelende man, een (echt) oud vrouwtje met haar arm uit de kom, twee vrolijke vrouwen uit een ver land, een chagrijn in een rolstoel en een huilende baby aantrof. 

"Meneer Van Jan?", in de deuropening verscheen een jonge, bijzonder mooie man. Hij was de chirurgijn. "Ja?", antwoordde ik. Dat bracht hem zichtbaar van zijn apropos. Hij verontschuldigde zich maar liefst drie keer, naar goed midden-oostelijk gebruik, want daar lagen zijn roots, zijn ouders waren Marokkaans, zei hij (licht onwillig, maar ik vroeg gewoon wat anderen denken). Mooi of niet, hij stuurde me toch door naar de röntgenafdeling. Maar eerst mocht ik nog even plaatsnemen in wachtkamer 2. Ik had een boek meegenomen, De Dood van Ivan Iljitsj van Leo Tolstoj, en geloof me, dat is niet echt een boek om te lezen in een ziekenhuis, de titel zegt het al. Bovendien, zoals met al die Russische boeken, is het geen sinecure om de verhaalstructuur te begrijpen met al die ingewikkelde namen, zeker niet als je elke keer maar een klein stukje kunt lezen, want ik werd al gauw gehaald voor de scan.

Na nog een klein uurtje en een nieuw consult bij de mooie dokter stond ik weer op straat, met als recept het bekende riedeltje over vloeibaar voedsel en rust. "Kijk, hierin (tekent cirkel) zit alles wat u onder controle heeft, zoals voeding, beweegpatroon, gewicht, roken en drinken. Hierbuiten (wijst vaag) is alles toeval". Deze filosofische bespiegeling kreeg ik als bonus mee op mijn vraag wat ik in Godsnaam nog meer kon doen om dit een volgende keer te voorkomen. 

Deze kerst was er een van ongewilde soberheid. Veel brood, veel water. De zaterdag erna was ik een pond afgevallen. 

zondag 21 december 2025

Johnny Cakes

De ex is vandaag jarig, hij is 60 geworden. Om dit te vieren eet hij vandaag bij onze oudste dochter thuis, samen met zijn vriendin en onze jongste dochter.

"Zal ik Johnny Cakes maken", vraag ik aan mijn dochters. Mijn oudste knikt enthousiast. Mijn jongste tilt één wenkbrauw op. "Waarom", vraagt ze. "Nou ja, omdat hij jarig is", mompel ik halfslachtig. "Is toch een mijlpaal, hè?" En hij zal ze wel in geen jaren gegeten hebben, denk ik erachteraan. Want die nieuwe, wat weet zij nou van Jamaicaans eten.

In onze huwelijkse jaren hield ik erg van koken. Vanwege ons multiculti gezin leerde ik mezelf Jamaicaans koken, en in de jaren die we samen waren maakte ik ontelbare keren klassiekers als Patties, Rice & Peas, Rumcake, plantain en Johnny Cakes. In een zeer toegewijde fase waagde ik me zelfs eenmalig aan Curry Goat en Beef Kidneys (als ontbijt!), maar dat bleek toch teveel voor mijn teer gestel, wellicht huisde er in mij toen al een voorzichtige vegetariër, je weet het niet.

Met haar wintersporthoofd en haar Purmerendse roots, denk ik nu, want behalve een vegetariër woont er ook een gemene vrouw in mij en als ik niet zo analytisch van aard was, liet die zich veel vaker zien. Want ja, het is een aardige vrouw, niks mis mee, en voor zover ik weet heeft ze de ex al eens meegesleept naar een Jamaicaans restaurant, dus voor hetzelfde geld is ze de nieuwe Queen of Rice & Peas. De enige die ik iets kan verwijten is de ex zelf, ik zou juist medelijden met haar moeten hebben en soms heb ik dat ook. Maar tegelijkertijd ben ik in mijn hoofd kennelijk nog steeds die vrouw, die moeder, die onderdeel uitmaakt van dit Jamaicaans-Nederlandse gezin, een rol die ik me niet zonder slag of stoot laat afnemen.

"Hij deed toch ook helemaal niks voor jouw verjaardag?', zegt de jongste. "En in het jaar daarvoor, toen je 65 werd? Nog geen felicitatie!" Ze heeft -als zo vaak- weer helemaal gelijk, pijnlijk gelijk zelfs. Het is pure projectie om te denken dat hij ons gezin net zo mist als ik. Aannames, invulling!

"Zeg maar dat jij ze hebt gemaakt", zeg ik tegen S. Ze doet haar zelfgebakken cake in een boodschappentas en zet het tupperware doosje met de Johnny Cakes ernaast. "Veel plezier", zeg ik met een gemaakte vrolijkheid waar zij als geen ander doorheen prikt, want nog geen half uur later krijg ik een snap met een foto van onze kat. Hou je goed, wil ze daarmee zeggen.