Het zat tegen het schemeruur aan en ik fietste met S achterop door de weilanden naar haar paard. Nadat ik haar had afgezet begon het zacht maar onmiskenbaar te regenen. Er stak een flinke zeewind op die me de verkeerde kant op duwde, niet naar huis, maar nog verder het platteland in. Na nog een half uur ploeteren kreeg ik een lekke band. Wat nu, dacht ik met een gevoel van verslagenheid. Ik was moe, koud en nat. Precies op dat moment zag ik langs het pad in het halfdonker een oude, beetje verzakte boerderij liggen. Er brandde licht en ik hoorde jazz. Naast de deur hing een bordje: "Besloten club, alleen voor kunstenaars". Ik parkeerde mijn fiets tegen een boom en klopte aan. Een man van middelbare leeftijd, type drankneus, opende de deur op een kier.
"Mag ik naar binnen?", vroeg ik.
"Ben je kunstenaar?"
"Ik ben schrijver", zei ik.
"Bewijs dat eerst maar eens", zei hij, terwijl hij mijn uiterlijk en kleding bekeek. Veel te provinciaals, zag ik hem denken. Ik plukte mijn telefoon uit mijn achterzak.
"Sorry, maar een blog maakt je geen schrijver, en nee, ook een zelf uitgegeven boek telt niet", en hij wilde de deur al sluiten.
"Wacht!", riep ik. En pas nadat ik kon laten zien dat ik maar liefst 3 keer in een literaire bundel met verhalen over Amsterdam Nieuw-West had gestaan, mocht ik naar binnen. Op een plattegrond wees hij waar ik mocht zitten. In de sectie amateurschrijvers.
Binnen was het warm en lawaaiig. Er werd gerookt alsof er sinds de jaren 70 niets was veranderd. Aarzelend ging ik zitten op de mij toegewezen plek en bestelde een whisky on the rocks. Naast me zat een morsige man met een stoffige zwarte baard. Hij droeg een gedicht voor aan de jonge vrouw aan zijn zijde. Verlangend keek ik naar de hoek van de ruimte waar de musici zaten. Er klonk luid gelach en gezang, gitaar- en pianospel. Ik zit verkeerd, dacht ik. Schrijvers leven een teruggetrokken bestaan en als ze dan kunnen praten, gaat het alleen over henzelf; aan mijn andere zijde had een jonge man het al een kwartier tegen niemand in het bijzonder over zijn laatste roman.
Ik besloot te verkassen naar de muzikanten. Daar kondigde iemand net aan dat Puccini een jamsessie ging houden met Madonna. Ik moet mijn broer vertellen over deze plek, dacht ik steeds. Puccini zag er jong en knap uit, in zijn mondhoek de eeuwige sigaret die hem uiteindelijk zou doden. Madonna zag er oud uit, maar met een afgetraind lichaam en een bol, glad getrokken gezicht. Haar middelmatige en nasale stem klonk vreemd genoeg heel rustgevend op de klanken van La Rondine. Ik moet S halen, bedacht ik me ineens met schrik. Ze wacht op me. Ik holde naar buiten, pakte mijn auto en scheurde de snelweg op.
Dat dit een droom was, had u waarschijnlijk al door. Wij hebben immers geen zeewind. En ik lust geen whisky. Toen ik mijn ogen opendeed, stond S naast mijn bed. "Zo, jij kwam van ver", lachte ze. "Ik ga naar mijn paard, tot straks".




