maandag 14 september 2026

Lijden, groot en klein

Ik ben vandaag zo droevig, ik weet niet eens waarom, maar dan lees ik een bericht over een 15-jarige jongen die na 3 dagen is gevonden op zee, in de Beringzee, zittend op een omgeslagen boot. Het dode lichaam van zijn broer dreef onder de boot en ook zijn neef was verdronken. Het is een bericht zoals er dagelijks velen verschijnen en het zijn ook niet de woorden die me aan het huilen maken, maar het beeld van deze jongen, een kind nog, eenzaam en onderkoeld ineengedoken in totale wanhoop, of misschien wel berusting. Tranen! 

Gisteren belde S me, ze stond op 2000 meter hoogte, ergens in Canada. Na een klim van twee uur wilde ze haar moeder laten delen in de schoonheid van het uitzicht, maar moeder kon alleen maar zeggen: Heel mooi, maar ga nu maar weer naar beneden. Sju sju, hop, naar beneden, want ik zag in gedachten allerlei poema's op de loer liggen. Dan huil ik om niks, omdat ze volwassen is misschien en aan het andere eind van de wereld rondloopt zonder mijn moederlijke vleugels om haar te behoeden tegen wildlife en kou. 

Het echte, grote lijden raakt me dan weer minder. Dat is een wonderlijk soort zelfbeschermingsmechanisme dat je op mijn leeftijd ontwikkelt. Oorlog, honger, armoede, onderdrukking. Gaza, Iran, Afghanistan, Oekraïne en al die andere landen waar van allerlei vreselijks aan de hand is maar die om de een of andere onduidelijke reden minder aandacht krijgen in de media, zoals Jemen, Sudan, you name it, waar eigenlijk niet. De wereld staat in brand, zeggen ze en dat is zo, vaak letterlijk. De ene ramp is nog maar nauwelijks gefinancierd of de volgende klopt aan de deur. Je sluit die deur in je brein gewoon hermetisch af, anders heb je zelf geen leven meer. Totdat je een klein meisje in een vluchtelingenkamp ziet, 3 jaar, blonde krulletjes, dat sprekend op jouw jongste lijkt toen zij zo klein was. Tranen. Dan loop je naar buiten, de zon in, in het rustige, beschaafde dorpje L, je kijkt naar de jonge eendjes, zo schattig, pril leven. Je neemt een foto, klik, stuurt het naar je zoon. Aaah, reageert hij. Binnen aai je de kat (de kleine moordenaar) en eet een boterham met lemon curd. En dan gaat het weer. 

 


zondag 6 september 2026

Krabbels: Odysseus

In 2022 stond ik met mijn beide dochters en vriend S (a.k.a. de Jongen) op de kade van Fiscardo, een vissersdorp in Kefalonia. De gids vertelde ons dat het eiland dat we in de verte zagen liggen Ithaki was, ofwel Ithaka, het wereldberoemde koninkrijkje van Odysseus. Sommige bronnen zeggen trouwens dat het Levkas was, een aanzienlijk groter eiland boven Kefalonia, maar goed, sowieso gaat het hier om de kracht van verbeelding en het willen geloven, net als bij dat andere mythische boek, de Bijbel. Toch jammer dat we de overtocht niet hebben gemaakt destijds, maar ongetwijfeld was het werkelijk voet zetten op mythische bodem ook daar een grote teleurstelling. Zo vraag ik me af of ik mijn plan om de vermeende voetsporen van King Arthur te volgen echt moet doorzetten of dat ik de zoveelste toeristenfuik beter kan vermijden. 
De film The Odyssey is inmiddels gezien, vorige week, samen met broer A. Het was een mooi (en luid) spektakel met prachtige beelden, maar beiden vonden we het geen film die eenmaal thuis nog in onze gedachten speelde. We vonden de zoon (Tom Holland) nogal karakterloos, de Sirenen hadden wel wat meer aandacht mogen krijgen, waarom verdween zijn vriend Eurylochus zo geruisloos en waarom had Matt geen lang haar (wel goeie spieren trouwens, sjonge).

Daarna liepen we samen door een zonnig en historisch Amersfoort een heel eind terug naar de parkeergarage waar mijn auto stond, omdat ik het hele filmbezoek vergeten was en doodleuk in de H&M met een blousje in mijn handen stond  (bordeauxrood, best leuk) toen hij belde waar ik bleef. Dat werd nog even een hysterisch gehaast, maar we haalden het en konden zelfs nog even een ouwemensenplas doen ook.

maandag 15 juni 2026

Ukrainians. Verhalen uit de sportschool

Ik had ze vaker gezien, de eeneiige tweeling. Smalle, pezige bouw, schouderlang blond en licht krullend haar en beiden gekleed in iets wat wees op een japanse vechtsport of een gothische levensovertuiging. Ik hoopte het eerste, want met die Goths ben ik wel een beetje klaar, ze wassen zich zelden. De jongens vielen op in de sportschool, de kleding en de gewichten in schril contrast met hun engelachtige gezicht en tengere bouw. Maar ze straalden een bescheiden eigenheid uit en leken zich niets aan te trekken van de ongeschreven kledingvoorschriften en fitness prototypes van de sportschool. Ik mocht ze.

Ik was net bezig met mijn seated incline biceps curls - terwijl ik luisterde naar de prachtige stem van Nava, een AI gegenereerde Iraanse verzetszangeres, maar daarover een andere keer meer-, toen een van de twee ineens voor mijn neus stond. Zijn lippen bewogen, hij keek me vragend aan. Ik deed mijn koptelefoon af. Hij herhaalde zijn vraag in een taal die het meest leek op Russisch. Omdat ik duidelijk niet aansloeg (en ik bovendien altijd had gedacht dat ze Nederlands waren, gezien hun voorkeur voor een alternatieve kledingstijl) ging hij over op Engels. "Do you speak Ukrainian or Russian", vroeg hij. Op mijn ontkenning, zei hij: "You look Ukrainian". Zijn serene gezicht was onvoorstelbaar jong. 
"It's a compliment", voegde hij eraan toe en lachte.

"Wat vroeg die jongen?", zei S in de auto terug.
Ik vertelde het haar.
"Oh, dat is lief", zei ze.
Maar vervolgens verpestte ze het hele effect door te suggereren dat hij bij mijn aanblik waarschijnlijk dacht aan een babushka uit zijn vaderland, klein, bol en gewapend met een deegroller.
"Misschien mist hij zijn moeder", opperde ik, want als wij aan het fantaseren slaan is het eind zoek en rusten we niet tot de tranen in onze ogen staan.

Thuis zocht ik het op, want dit wierp een nieuw en onverwacht licht op mijn bestaan.
'Wat zijn de doorsnee uiterlijke kenmerken van een vrouw uit Oekraïne', typte ik in.
'Oekraïne is een groot land, dus er bestaat niet zoiets als een typische Oekraiense vrouw', zei ChatGPT ontwijkend, om vervolgens te beweren dat ze vaak Slavische trekken hebben met hoge jukbeenderen, een smal gezicht en een rond figuur met vollere heupen en borsten.
"Dikke vrouwen met een klein hoofd", riep ik naar S.
"Dat verklaart het", riep ze terug.
Maar toen ik even later het schriftelijke bewijs wilde leveren dat ik niet dik was maar Oekraiens, kwam ChatGPT met een heel ander verhaal, dus tot zover mijn wetenschappelijk onderzoek. 

zaterdag 2 mei 2026

Dat kan ik ook

"Het verbaast me dat jij geen enkele ambitie hebt met dat schrijven van je", zegt S. "Het verbaast mij dat je daarover begint", zeg ik, want voor zover ik weet leest zij mijn blogs nooit. Maar het is waar. Ik heb totaal geen ambitie. En het is niet eens omdat ik mijzelf onwaardig acht (al speelt dat altijd wel een rol), het boeit mij gewoon te weinig of er nu 100 of 1000 mensen mijn verhaaltjes lezen, als ik maar een minimaal aantal lezers heb. Ik heb zelfs verhalen op mijn blog staan die ik niet de ether ingooi, vanwege de privacy of het belang dat ik nog bij diegene heb. Therapeutische verhalen, noem ik ze. "Als ik dood ga", roep ik wel eens dreigend. "Dan druk ik gauw nog even op publiceren". Huuu, zie je ze dan denken. Ach, eerlijk is eerlijk, ik ben ontzettend gevleid als mensen zeggen dat ze gelachen hebben om mijn schrijfsels, niets menselijks is mij vreemd, maar het doet weinig tot niets met mijn motivatie, ik schrijf als ik er zin in heb en dat is nu al een hele tijd niet het geval.

Vorige week stond er in Volkskrant Magazine een interview met een schrijfster/journalist. Het verhaal wekte mijn nieuwsgierigheid op, want wat de schrijfster in kwestie zei was verfrissend eerlijk en daarbij schuwde ze enige pijnlijke zelfreflectie niet. Nu wilde het lot dat ik enkele dagen later bij het straatbiebje bij de Appie tegen het besproken boekje aanliep. 
"Zulks een toeval bestaat bijna niet", zei ik tegen de kat. "Zou er toch een God bestaan?" 
Verheugd vlijde ik mij in het zonnetje op de bank en begon te lezen. Het was een verhalenbundel over vriendschappen. Op de achterflap stonden juichende aanprijzingen van andere schrijvers (ik had ooit een date met een schrijver die mij vertelde dat hij die zelf had verzonnen) die haar de grappigste schrijver van Nederland vonden, met loftuitingen als gigantisch en meeslepend en ijzersterk, nou, dat beloofde wat. Twee dagen later was het uit. Onderhoudend en zeker vermakelijk, maar niet meer dan dat, een bulderende lach bleef uit (die had ik voor het laatst in 1985, bij de 3e bundel van Garfield). Daarom stoorde het me dat er in haar bio stond: haar literaire debuut. Nou is literatuur een moeilijk te definiëren begrip, maar deze entertainende verhalen vielen daar naar mijn zelfingenomen mening niet onder. 'Het was noch kunstzinnig, noch diepgaand, noch van culturele waarde. Er was geen sprake van complex taalgebruik, originaliteit en een rijkere gelaagdheid in thema's (bron: wikipedia).' En al helemaal niet omdat ik tot mijn grote ergernis tot 3 keer toe 'ben' in plaats van 'wees' in de gebiedende wijs was tegengekomen (een waarschijnlijk zeer jonge editor). Het boekje was geschreven in spreektaal, alsof er een leuke (en af en toe ook bloedirritante) vriendin verslag deed van haar belevenissen. 

"Pfff, dit kan ik ook", riep ik tegen S terwijl ik het boek van me afgooide. 
"En waarom doe je dat dan niet?", vroeg ze spottend. 
"Geen zin in'.

maandag 6 april 2026

IJsbloemen op het raam, een (niet zo) nostalgische terugblik

Ik weet nog dat mijn vader eens vertelde dat als je ouder wordt je steeds vaker met je gedachten teruggaat in de tijd. Vooral 's avonds in bed, als je de slaap niet kunt vatten. Kun je niet slapen door de opdringerige herinneringen of spelen ze op omdat je wakker ligt? Kip of ei, we weten het niet, maar mij lijkt het dat je vooral teruggaat omdat je hedendaagse leven niet zoveel meer voorstelt. Nou ben ik door de bank genomen niet ongelukkig, bedacht ik me vandaag toen ik mijn broertje van 64 thuis had afgezet en door de avondschemering naar huis reed. Er is verdriet en er is pijn, maar ik lach veel, mijn leven is vol en veilig en warm. Ik mag mijn werkdagen doorbrengen met lieve en originele mensen, op feestdagen schuiven mijn kinderen nog steeds graag aan, tussen 3 en 4 heb ik de sportschool bijna voor mezelf en onlangs heb ik de app Signal gewoon weer verwijderd (een ander verhaal voor een ander tijdstip), wat wil een mens nog meer? Veel natuurlijk. Ik ben geen spiritueel type, ik wil gewoon op vakantie kunnen in een lekker hotel, zou best in een mooie villa op het platteland willen wonen, en soms lijkt me de door mijn collega's geopperde gigolo (van je vitaliteitsbudget, moet je doen!) ook wel wat (maar meestal niet). Maar al met al, geen klagen, al doe ik dat graag.

Hoe goed ik het heb, hoe stinkend verwend ik ben, realiseerde ik me vanavond toen ik in bed stapte. De elektrische onderdeken had mijn koude hoeslaken verwarmd en ik heb niet één maar twee dekbedden van velours (van die hoes en dekbed ineen types) op mijn bed. Plotseling was ik terug in mijn puberkamertje in Slotermeer (dat is een wijk in Amsterdam). Dat waren nog eens winters, zucht mijn generatie vaak. En inderdaad, het waren vaak straffe winters in die jaren 60/70, met ijsbloemen op het enkelvoudige glas en geen verwarming in de slaapkamers. Naar bed gaan was niet iets waarop je je verheugde. Je stapte in een ijsbad. Als mijn moeder mij na een uurtje nog even kwam instoppen, zoals ze het ritueel van een kus en de nodige geruststellingen noemde (ja heus, jij krijgt ook borsten, en nee echt, je hebt het niet aan je hart, je gaat niet dood), lag ik nog steeds rillend tussen de koude, witte lakens, met mijn neus diep weggedoken in de wollen deken en de oranje, chenille sprei. De wereld leek in niets op het liedje van Van Kooten en De Bie: al huilde de wind buiten om het huis en stond de kachel binnen te snorren op 4, ik voelde me helemaal niet veilig. De nieuwe middelbare school was groot en vreemd, ik had geen vriendinnen in de klas en mijn moeder huilde veel omdat mijn vader een liefje had buiten de stad. Dat laatste wist ik toen natuurlijk nog niet, maar ik voelde dat er iets niet klopte, dat doen kinderen. Maar als het buiten erg hard vroor, legde ze een kruik in mijn bed. Een metalen kruik met eromheen een door mijn oma gebreide sok, zo'n grijze geitenwollen sok die je kon dichtstrikken aan de bovenkant, speciaal voor dat doel. En soms kreeg ik de gestikte deken. Dat was een begrip bij ons. Een ruitvormig doorgestikte en loodzware groene deken. Een deken van warmte. Van liefde. Helaas was er maar één. En ik had drie broers.

Ach, het klinkt zo romantisch nu, maar het is echt zo'n pretje niet als je door de kou niet kunt slapen. En als je dan eindelijk sliep was het meteen weer ochtend. Dan hoorde je mijn moeders stem die riep: "Opstaan!". Dan rende je (met je blote voeten op het kouwe zeil, ook al zo'n weinig gerustellend liedje) in je pyjama naar de  gaskachel in de woonkamer en daar was het dringen geblazen, want ik zei het al, ik had drie broers en die leden ook onder de winters van de jaren 60 en 70. Behalve op zaterdag. Dan kon je uitslapen. Je hoefde niet naar school. Je bed was heerlijk warm. Tot je moeder om 11 uur de deur opengooide: "Lig je nou nog in je bed te stinken!"