woensdag 18 februari 2026

Vasten

"Thee?", vroeg ik. Maar mama mocht geen thee en ook geen cakeje, want vandaag was de Ramadan van start gegaan, zei ze. Beide kinderen zijn nog klein dus die wisten wel raad met de schaal zoetigheden. Maar of ik samosa's lustte? Zonder vlees, zei ze erachteraan, want ze weet dat ik vegetariër ben. Ik mocht elke avond aanschuiven bij de Iftar, maar ik mocht ze ook mee naar huis nemen als ik dat fijner vond. Ook voor mijn kinderen, zei ze, natuurlijk. Nou weet ik op mijn beurt weer dat al die lekkere hapjes van de islamitische avondmaaltijd in deze periode in de olie worden klaargemaakt, of, zoals mama het illustreerde: sssjjj, sssjjj, want het woord gefrituurd kent ze nog niet, dus ik hield me een beetje op de vlakte en zei iets van heerlijk en mmmm, maar ook dieet en zou wel willen maar is niet goed voor me. Inmiddels hadden de kinderen zich op de speelgoedkist gestort, maar niet nadat ze de kat de stuipen op het lijf hadden gejaagd met hun kinderlijke en vooral volhardende aanhankelijkheid ("een poes, een poes!"). Hij verdween schielijk en ik dacht dat hij naar boven was gegaan maar na hun vertrek zat hij er ineens weer, midden in de kamer, alsof hij nooit was weggeweest. Terwijl de kinderen een alternatieve variant van Memory speelden (wel twee plaatjes bij elkaar zoeken maar gewoon met de beeltenis naar boven), praatten wij samen over de ex-mannen, want echt, dat is een universeel onderwerp, of ze nu uit Nederland, Jamaica of Eritrea komen. Schoften zijn het, wat ik u zeg. Maar ook over haar zwemles en mijn zumba. Haar oorontsteking en mijn vermoeidheid. Haar moederschap van nu en het mijne van toen. Want ik was vergeten hoe slopend die jaren waren. Dat je nauwelijks een gesprek kon voeren met je vriendinnen, dat je minstens 4 wijdopen ogen moest hebben. En niet te vergeten, afwasbare meubels. Dus toen ze met zijn drieën weer op en in de bakfiets kropen, trok ik me terug in mijn eigen Archie Bunker hoekje op de bank, samen met de kat. "Het is vandaag Aswoensdag", zei ik tegen mijn eigen nakomeling, die even later stinkend naar paard naast me plaatsnam. "Het vasten is begonnen."
"Wat eten we eigenlijk", vroeg ze.

zaterdag 31 januari 2026

Nieuwe gympen

Ik zoek al enige tijd naar de perfecte sneaker voor mijn Zumbalessen. De zool moet soepel zijn, de bovenzijde stevig en er moet een pivot point onder de zool zitten zodat je makkelijk kunt draaien. Er bestaan speciale Zumba schoenen, maar die hebben een gesplitste zool en zijn aartslelijk, dus die wil ik niet, het moet leuk blijven. Nou draag ik altijd Adid*s schoenen, omdat die mij goed zitten en ook omdat ik ze mooi vind. Ik heb wel eens gezocht naar een alternatief, hoofdzakelijk omdat er aan dit merk net als bij Chan*l een fout randje kleeft, de originele ontwerpers waren beiden behoorlijk fout in de oorlog, maar waar houdt principe op (en telt dat nog?) en begint egoïstische ijdelheid, zegt u het maar. Hetzelfde geldt overigens voor mijn vegetarische leefstijl: ik wil graag vegan zijn, vegetarisme is een soort zwaktebod tenslotte, maar het lukt me niet, ik moet yoghurt, ik moet kaas. Ik moest dus Adid*s, maar nergens vond ik de schoen die me en geschikt leek en mooi was. Nou weet meneer A. Ritme wel raad met mijn diep weggestopte verlangens. Als ik er niet op bedacht was, bijvoorbeeld tijdens het kijken naar TikTok filmpjes van operazangers (wie zong dit het beste en dan zegt iedereen Callas! of Pavarotti!, de mens is zo voorspelbaar), kreeg ik reclames van sneakers (wij zeiden nog gympen vroeger) voorgeschoteld, de een nog mooier en dus duurder dan de ander. Ik trapte erin en klikte een lichtblauwe schoen van Ralph Lauren aan. Ver buiten mijn budget, maar beeldig, beeldig, oh zo beeldig. Nee, riep ik 's morgens nog ferm. Nee, riep ik 's middags al wat zachter. Die avond had ik een feestje. Ik vertelde iemand over de schoen en de kracht van marketing en herhaling. O zoet verlangen. O mooie overbodige gymp! Ik lachte om mezelf en zei vol bravoure dat ik er niet in ging trappen, echt niet, nooit niet. 

Die nacht lag ik in bed nog even te scrollen. Ik had geheel tegen mijn huidige gewoonte in, twee wijntjes gedronken. Ach, u voelt 'm al aankomen. De gympen arriveerden dinsdag.

Ze zijn mooi. En ze passen goed. Fijn voetbed. Voldoende ruimte voor mijn wijdgespreide miniteentjes en de licht doorgezakte voorvoet. Genoeg steun aan de wreef en ze hebben een wat wonderlijk maar stevig profiel op de zool. 

Daarnaast zijn ze volstrekt ongeschikt voor de Zumba. En ze zijn koud, ik weet niet waarom. "Hoe vind je mijn nieuwe gympen?", vraag ik een week later aan dochter M. "Tuttig", zegt ze.


zaterdag 10 januari 2026

Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen

Soms google ik mezelf. Niet uit ijdelheid, maar juist omdat ik liever niet te googelen ben, hoe tegenstrijdig dit ook klinkt, omdat schrijvers liefst gelezen worden, ook zondagsschrijvers als ik. Maar, zoals ik laatst al even aankaartte, ik heb soms cliënten die niet altijd even goed de werk-Jet en de privé-Jet uit elkaar kunnen houden, of eigenlijk: niet wíllen houden. Ze verzamelen op obsessieve wijze munitie, slaan die op in hun bovenkamer, en spelen die uit wanneer nodig. Geen leuke mensen, nee, en het zorgt ervoor dat ik me niet langer frank en vrij voel om te schrijven wat ik wil.

Maar wat wil nou het geval, elke keer als ik mezelf google, verschijnt er een foto van een meisje met precies dezelfde naam als ik. Maar dit meisje is dood. Al heel lang. Ze werd op 15 november 1908 geboren in Tilburg en stierf op 29 augustus 1931, ze werd slechts 22 jaren oud. Ze wilde graag goed doen in de luttele jaren die haar gegeven werden, lees ik op haar bidprentje, ze gaf zichzelf aan anderen in opofferende liefde totdat haar krachten haar verlieten. Ze had een vlekkeloze en blijmoedige ziel, zeggen haar ouders en de broers en zusters die achterbleven. Het is een mooie eulogie en ik geloof het direct, op het fotootje zie ik een lief en sereen gezichtje.

Vorige week zocht ik op marktplaats naar een oude kaptafel, eentje uit de jaren 30 of 40, liefst nog eerder. Het is een speld in een hooiberg, ja, en alleen nog verkrijgbaar in Frankrijk, maar dat is zo lastig ophalen en verzenden doen ze niet. Om de rommel uit China te ontlopen zocht ik op vintage en dit stuurde mij naar allerhande rariteiten, waaronder, u raadt het al, het bewuste bidprentje. Het werd aangeboden door ene Jet uit 's Hertogenbosch. Ineens wist ik dat dit geen toeval mocht zijn, ik moest dit bidprentje hebben, het had zo moeten zijn, het was het lot (en niet mijn algoritme), wellicht was ik haar reïncarnatie, wellicht was ik de herkansing van deze te vroeg overleden Jetty, maar dan zonder voornoemde kwaliteiten.


De koop was snel gesloten. Brabantse Jet stuurde het prentje naar bovenmoerdijkse Jet  en nu staat het op mijn bureau en weet ik niet goed wat ik ermee moet aanvangen.

"God roept mij, Hij weet het best wat ons tot heil verstrekt; met de H. Teresia hoop ik van uit den hemel rozen te werpen in uw rozengaard", zegt mijn naamgenoot. "Dierbare broers en zusjes, vaartwel, omringt vader en moeder steeds met de liefde van een kind. Bidt voor mij."
 

maandag 5 januari 2026

Een hachelijke onderneming

We gingen naar een concertuitvoering van de opera Andrea Chenier, M en ik. Een hachelijke onderneming, naar later bleek, en niet alleen omdat de tenor (wij noemden hem Knorretje) met elke uithaal op onze lachspieren werkte, maar omdat er vrij plotseling een ouderwetse winter was komen opzetten, zo eentje uit mijn jeugdjaren.

's Middags viel het allemaal nog mee, er lag al wel een pak sneeuw, maar die was lekker rul en stroef, het ijzelde nog niet. Toch besloot ik voor de zekerheid maar met het OV te gaan en niet zoals ik normaal gesproken doe, met de auto naar het station en vandaaruit met de trein naar Utrecht of Amsterdam. Maar toen we na 4 aktes drama en dood eindelijk weer buiten stonden, bleken de weergoden ons minder gunstig gezind. We glibberden voorzichtig door de besneeuwde straten van Utrecht en door een nat Hoog Catherijne naar het spoor, de trein stond al klaar. In een donker Amersfoort zagen we dat bus 80 (de mijne) en de 8 (de hare) over respectievelijk 3 en 12 minuten gingen, dus het viel allemaal reuze mee. Dachten we. Want nog geen minuut later liep een spoorwegbeambte langs alle haltes met de mededeling dat er geen enkele bus meer reed, ze waren allemaal naar binnen geroepen (ik vroeg me direkt af hoe een bus naar binnen kan). Het was te gevaarlijk, zei ze.

Bij de taxistandplaats reed de laatste taxi net weg. M belde taxi B, waarmee ze door haar liederlijke verleden op zeer vertrouwelijke voet staat. "Ik kom eraan", riep hij jolig. Maar hij kwam niet. En de sneeuwbui werd een sneeuwstorm en mijn handen ijsklompjes, want mijn handschoenen waren heel elegant dus volkomen nutteloos. Er kwam een jonge vrouw aan. Ze moest naar Nijenstede, zei ze. "Je mag wel met ons mee", riepen wij (want zo zijn wij), "dat ligt op onze route". "Maar ik heb geen contant geld", zei ze. "Hoeft niet", riepen wij weer met inmiddels bibberende kaak en versteende neus. "We gooien je er halverwege wel uit" (want zo zijn wij.). Een tweede jongedame voegde zich bij ons. Ze kwam uit Zweden en wilde naar een hotel. Ze begreep er niets van dat de bussen niet meer reden, zo'n beetje sneeuw, dan zou er in Zweden nooit een bus rijden, zei ze. Intussen was er nog steeds geen taxi te zien en de meeste wachtenden hadden in arren moede maar besloten te gaan lopen, maar dat zag ik, gezien de afstand naar het verafgelegen dorpje L, echt niet zitten. "Nu is het vervelend, maar later wordt dit een heel romantisch verhaal", zei ik tegen mijn dochter, gelukkig had ik mijn wax-jas van Britse makelij aan. Ze lachte en nam een foto, voor later, als het romantisch was geworden.

Er reed een taxi voor, een busje. Niet van de heer B, maar van de heer H. We keken elkaar aan. Gingen we wachten op B? En als hij nou ergens vastzat? We stapten in. Samen met de Zweedse, mevrouw Nijenstede was inmiddels opgehaald door een vriend. We waren koud op weg of B belde. "Waar ben je nou?", vroeg hij. Maar de heer H manoeuvreerde ons met gevaar voor eigen leven door de dichtgesneeuwde provinciestad. Het was chaos. Auto's slipten weg, remmen was een gok, maar H vertelde dat hij in zijn thuisland bij de commando's had gezeten dus dat het helemaal goed ging komen, ook zonder winterbanden.

De eerste stop was bij mijn dochter. "Stuur me een tikkie", riep ze nog en struikelde het busje uit. Daarna toerden we door naar het hotel van de Zweedse, dat lag op een uitgestorven industrieterrein. De teller stond inmiddels op 35 euro. "Kan ik met een bankoverschrijving betalen", vroeg ze, "want ik heb geen cash." H lachte haar vriendelijk toe. "Kan met pinbetaling, net als in Zweden", zei hij, en ging akkoord met de 20 euro (geen fooi) die zij wel redelijk vond maar ik totaal niet.

Op de snelweg was het iets beter gesteld met de bandengrip. Met zo'n 50 km per uur reden we de laatste kilometers naar mijn huis, terwijl de teller mijn kerstbonus wegtikte. Intussen was H druk bezig om mij als zijn volgende echtgenote in te lijven. "Jij ook alleen?", vroeg hij. Hij vond het maar niks, zo'n leven zonder vrouw. Man moest vrouw en andersom ook. "Neem een kat", riep ik enthousiast. "Maar daar kan je niet mee knuffelen", riep hij olijk en keek me vanuit zijn ooghoeken zwoel aan. Ik zei maar niets. Als een man, welke dan ook, het woord knuffelen gebruikt als hij intieme relaties bedoelt, dan slaat voor mij de deur naar een gezamenlijke toekomst met een harde klap dicht, ex-commando of niet. Toen we eindelijk voor mijn deur stilhielden, en ik hem mijn laatste Rutte-vijftigje (wel fooi) had gegeven, rijkte hij me zijn kaartje aan. "Voor volgende keer taxi nodig", zei hij. Ineens kreeg ik een flashback. Deze man had mij eerder thuis afgezet, toen ik met dezelfde M terugkwam van een vakantie in Mallorca. En ook toen had hij me willen huwen! "Ik heb eerder bij je in de bus gezeten", riep ik, toen ik weer veilige sneeuw onder mijn voeten voelde. Hij keek me glazig aan, dat kon hij zich niet meer herinneren, zei hij. 

Binnen wachtte de kat op me. Hij was blij me te zien.

donderdag 1 januari 2026

Oudjaar en dingen die voorbij gaan

Als ik aan de laatste uren van mijn moeder denk, aan haar sterven, dan denk ik ook aan de jas die ik aanhad. Het was een nieuwe, camelkleurige mantel, heel chic, maar veel te lang. Ik voel nog de zoom tegen mijn enkels tikken terwijl ik over het grijze linoleum van de ziekenhuisgangen naar haar kamer liep. Ik zou 'm later inkorten, maar toen ik haar kamer binnenkwam was ze al gestorven. Het zijn van die ongewilde associaties waar je de rest van je leven mee kampt. Zoals ik bij het pannenkoeken bakken altijd denk aan mijn ex-schoonzus die me liet zien hoe je ze mooi dun kreeg.

Ze werd twee dagen voor oudejaarsnacht opgenomen na wat een redelijk onschuldige tia leek. Op de laatste dag van het jaar bracht ik een zelfgebakken cake mee. Voor jou en de verpleegsters, zei ik. Ze zat toen nog rechtop. Op nieuwjaarsdag sliep ik zonder zorgen eerst mijn kater uit, de volgende dag nam ik mijn man en mijn zoontje van 2 mee naar het bezoekuur. De lange jas deed klapperdeklap, de hakken van mijn pumps tikten ritmisch op de gladde vloer. De cakevorm was leeg. De zusters vonden 'm heel lekker, zei ze, maar zij zelf had er niet van gegeten. Toen wist ik ergens al dat dit niet goed ging komen. Een week later zat ze niet meer overeind. Spreken ging moeilijk. Nog een week later schreef ze de woorden op papier, schots en scheef, zonder focus, in het handschrift van een 80-jarige. Maar ze is pas 67, zeiden mijn vader en ik tegen de neuroloog. Hij sprak woorden van goede moed en hoop houden, maar zei ook dat ze het niet wisten en dan weet je het zelf meestal wel. Na nog een paar dagen lag ze apart. Zodat ze geen last had van de andere patiënten, zei de verpleegster. Zodat ze dood kan gaan, dacht ik. Mijn vader, mijn jongste broer en ik waakten bij toerbeurt aan haar bed. Op dinsdag 24 januari om half 5 ging ik naar huis om de oppas af te lossen. Om 5 uur zou mijn vader komen. Om kwart voor 5 stierf ze.

Het is een koude, vrijwel geheel bewolkte dag op dinsdag 24 januari 1995, met een gemiddelde temperatuur van 6.3 graden celcius, zegt het weerbericht van toen.
 Ondanks de zege van Mitterand is zijn overwinning niet zeker, schrijft het AD. De slag tegen Bin Laden komt dichterbij, kopt het Eindhovens Dagblad. Niets over mijn moeder. Niets over de dood van mijn moeder.

Ik ben nu één jaar jonger dan zij ooit geworden is en dat maakt mijn aanwezigheid op aarde momenteel erg beladen. Ga ik het halen of zal ik ook jong doodgaan? De vlakke, troosteloze januaridagen versterken het gevoel van eindigheid, van verval en versterving.

Was ze gelukkig? Het is een vraag die ik mezelf steeds vaker stel, nu ik oud ben.

Voor me ligt een stapel brieven die ze aan mijn vader schreef toen hij als soldaat op herhaling moest. Hij was maar een paar weken weg, maar mijn moeder schreef hem smachtende en, voor zover haar calvinistische opvoeding dat toeliet, soms vurige brieven.

Ik zie haar op foto's uit die tijd. Ze zit geknield op het jonge gras van onze achtertuin in Geuzenveld. Een kokerrok omspant haar volle dijen, diezelfde dijen die mijn vaders aandacht trokken toen hij als pianist schnabbelde bij een amateur balletklasje in Amsterdam zuid. Mag ik je naar huis brengen, had hij gevraagd. Op de foto sta ik naast haar, op evenzo mollige beentjes, ze laat me drinken uit een tuitbekertje, terwijl ze lacht naar de fotograaf. In de verte de eerste huizen van de wijk Osdorp in aanbouw. Als ik mijn ogen sluit hoor ik het heien van de palen in de zanderige grond.

Wat het leven haar heeft gebracht is niet wat ze ervan verwachtte. Zoveel weet ik. Zoveel maak ik op uit haar brieven aan de man die ze haar hele verdere leven heeft liefgehad. Het is een leven dat veel mensen, vrouwen, zullen herkennen. De slaafse liefde, de blinde liefde, de ontkennende liefde, de vergevende liefde, de teleurstellende en de pijnlijke liefde. En uiteindelijk de berustende liefde. Zo is ze gestorven, wil ik denken. In vrede met haar huwelijk en met zichzelf.