Jetty van Jan was weer bezig deze week. Krap twee weken geleden werd ik in de avond plots onwel. Het was de dag na een verjaardagsfeest met allerhande drank en snacks dus dat was de oorzaak, besloot ik, terwijl ik krampend op de bank zat en wachtte tot het overging. Op woensdag zakte het inderdaad weer, maar de donderdag erna vlamde het in alle hevigheid weer op en op vrijdag kon ik nauwelijks lopen van de pijn. Toch maar even naar de huisarts. Half en half had ik verwacht dat hij "me and my hypochondrie" zou wegsturen met geruststellende woorden als "virusje" en "Nee, je gaat niet dood, althans nu nog niet", zoals altijd. Maar tot mijn verbazing deed hij dat niet. Ik probeerde me er nog met wat flauwe grappen vanaf te maken, ook zoals altijd, maar hij gebood mij (met ernstige blik) om een noodtas te pakken en me te melden bij de spoedeisende hulp. Nou, dat was me wat. Enigszins verdwaasd reed ik naar huis, propte een onderbroek, mijn pyjama, tandenborstel, bril en oplader (en nog wat rare zaken die ik helemaal niet nodig had) in een toilettas, appte mijn kinderen, en reed naar het ziekenhuis. Daar kreeg ik een bandje met barcode om mijn pols als bewijs dat ik bestond en toen kon het grote wachten beginnen. Het was 16:45 uur.
Een kwartier later arriveerde dochter S, die er ondanks mijn herhaaldelijk weigeren op stond om mee te wachten. Na een uur kreeg ik een aderlating van maar liefst 7 buisjes bloed en na weer een uur volgde de intake bij een tweetal olijke verpleegkundigen, die zich, zoals te doen gebruikelijk tegenwoordig, creatief hadden uitgeleefd op happy socks en bijpassende klompen. Je moet wat als je dagelijkse dresscode zo voorspelbaar is (lijkt me heerlijk trouwens). Ik schoof een wachtkamer op in de hiërarchie, nummer 3 inmiddels, die vol zat met reutelende baby’s en één oude, te zware man in een veel te strakke broek. Vrij snel werd ik meegenomen door een ontzettend aardige chirurg in opleiding, die zelfs de goedkeuring van S kon wegdragen, zo knap en stralend zat hij erbij.
‘Kan een blindedarmontsteking zijn’, zei hij, terwijl hij vrolijk in mijn buik duwde. ‘Of diverticulitis.’ Duw. Duw. ‘Geschiedenis van buikoperaties?’, vroeg hij. ‘Een galblaas’, zei ik, ‘Oh, en een keizersnee, van haar.’ En ik wees naar de dader, die, gelaten zittend op een houten stoeltje, zich weer kapot zat te schamen voor haar moeder die zelfs krimpend van pijn geen weerstand kon bieden aan de drang om te pleasen.
Daarna kreeg ik een infuusje, zoals ze het noemden (kennelijk heb je ook grote, echte infusen, het betere werk, zeg maar, die, zo zie ik voor me, alleen bij belangrijkere mensen dan ik op een rijdende stellage van computergestuurde draden en buizen naar binnen worden gereden), en moest ik de CT-scan in. Ooit een scan met contrastvloeistof gehad? Het is een wonderlijk gevoel als dat spul je lichaam binnendringt. Je kunt precies de route volgen die je bloedstroom aflegt. Als je plotseling een warme kop krijgt en een metalen smaak in je mond, dan weet je, althans, zo mag ik het graag denken, dat er geen obstructies in je wegennet zitten, een hele geruststelling. Nog geen 5 seconden later krijg je het gevoel of je moet plassen. Van een eerdere keer weet ik: dat is niet zo, maar ook nu kneep ik de boel toch maar even aan, voor de zekerheid. Maar voor dit alles moest de bh uit.
‘Daar is een kleedhokje’, wees de mannelijke verpleger, maar ik was al bezig met de voor vrouwen (en ja, ook de tot vrouw gewordenen of Thaise she-males) bekende bh-truc uit te voeren (door je mouw heen de bandjes van je armen afhalen, onder je trui loshaken, et voilà).
‘Huup, huup, Barbatruc’, zei ik er nog bij. Hij verblikte of verbloosde niet, aan zijn grijze haar te zien liep hij al wat langer mee in deze idiote wereld. ‘Maar zo kan het ook’, zei hij droogjes.
Inmiddels was het half 10. Ik was moe en had pijn. En de bank waarop we zaten kraakte en piepte bij elke beweging. Soms strompelde ik als een oud vrouwtje naar het koffieapparaat voor een bekertje thee.
‘Wat een manier om je vrijdagavond door te brengen, hè, zei ik tegen de te dikke man. Hij zat er ongemakkelijk bij. Aan zijn linkerhand blonk een brede trouwring, maar hij was alleen, dat vond ik zielig. ‘Mijn huisarts heeft me doorgestuurd’, zei hij, ‘Omdat ik een enorme bult op mijn bil heb. Een abces, denkt hij. En als dat knapt komt het in mijn bloedbaan.’ Ik keek naar het magere straaltje water dat in mijn bekertje stroomde en daar langzaam bruin kleurde. Mijn visuele vermogen, soms een zegen, vaker een vloek, ging met me aan de haal. ‘Dan zit u er oprecht niet goed bij’, zei ik vriendelijk en sleepte me terug naar mijn plek.
Even later hoorde ik hem bellen. ‘Ze houden me hier’, zei hij zo luid dat iedereen het wel moest horen, ‘Ze gaan het pus eruit zuigen’.
‘Oh’, kreunde ik zachtjes.
Ssst, gebaarde S geërgerd.
‘Succes’, riep ik toch maar, toen hij in een bed voorbij werd gereden, liggend op zijn zij.
Naast ons was een lief en ontzettend welgemanierd meisje van een jaar of 8 eindelijk in slaap gevallen. Haar moeder keek zorgelijk op haar neer en legde haar jas over haar heen. Het klagende stel ernaast (wat duurt het lang, schandalig toch, zij waren er later dan wij, oh hoelang nog) was eindelijk opgehoepeld, er kwam een man binnen met een gebroken pols en even verderop in de gang schreeuwde een onzichtbare vrouw auw, auw, met lange uithalen. Het was 11 uur.
Om half 12 kwam een van de gezusters Vrolijk en co. langs, ik herkende haar aan de roze klompen. ‘Jeetje, zitten jullie hier nou nog?’ zei ze verbaasd. ‘Ik ga even vragen of ze jullie niet vergeten zijn!’
Na 5 minuten kwam de aardige arts. Ik denk dat hij lekker aan de koffie met de andere hulpverleners had gezeten, of misschien had hij wel even een powernapje gedaan in een kamertje voor uitgeputte artsen, maar hij keek erbij alsof hij net de uitslag had.
‘Wat ik al dacht: diverticulitis, fase Hinchey 1B’, zei hij.
‘Is dat erg’, vroeg ik, ‘En hoeveel fases zijn er?’
‘Er zijn er 4, of eigenlijk 5, want 1 is in tweeën gesplitst’, zei hij, ‘Maar bij 4, tja, dan heb je een perforatie en lig je op de IC’, voegde hij er opgewekt aan toe. ‘En bij 2, dan moet je aan het infuus’ (het grote, dacht ik meteen, vast het grote!). Hij tekende de situatie van alle stadia op een whiteboard. ‘Goed nieuws dus’, besloot hij, ‘Je mag naar huis.’
Ik kreeg medicatie, adviezen over rust en vloeibaar voedsel, terugkomen als het niet overgaat, bla, bla, bla, maar ik hoorde alleen maar: naar huis. Het was vrijdagavond, half 12.
Thuis zag ik dat er twee boeken in mijn noodtas zaten, maar dat mijn toilettas nog op tafel stond.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten